Nieuws

Belgische bevolking is sterk verdeeld over koloniale verleden

Moet de regering officiële excuses aanbieden? Horen koloniale standbeelden thuis in het straatbeeld? Met steun van het Koninklijk Museum voor Midden-Afrika onderzochten wetenschappers van UAntwerpen hoe de Belg denkt over het koloniale verleden van ons land.

De studie gaat na hoe de Belgische bevolking en de parlementen vandaag terugblikken op het koloniale verleden. "Meer specifiek peilen we naar de bereidwilligheid van de publieke opinie en de parlementsleden om steun te bieden voor ‘dekolonisering’, of in welke mate ze materiële en symbolische compensaties willen toekennen voor het onrecht van kolonialisme", legt Zeger Verleye (UAntwerpen) uit. "Het onderzoek spitst zich toe op de afzonderlijke houdingen van zowel publieke opinie als politieke elite om vervolgens uit de doeken te doen hoe deze zich tot elkaar verhouden."

In maart 2020 werd een survey afgenomen bij een representatieve steekproef (N=1026) van de Belgische volwassen bevolking om te onderzoeken wat Belgen weten, voelen en denken over het koloniale verleden en over onze hedendaagse maatschappelijke omgang met dat verleden.

Bevinding 1: De Belg heeft weinig feitenkennis over het Belgische koloniale verleden. Het merendeel van de respondenten behaalt een lage score op de kennistoets. De gemiddelde score bedraagt 7,55/20. 30,7% van de respondenten haalde een score van 10 of hoger.

Bevinding 2: De Belgische bevolking is sterk verdeeld wat betreft de algemene evaluatie van het Belgische koloniale verleden en haar duurzame erfenis: ongeveer de helft evalueert het koloniale verleden veeleer positief, de andere helft veeleer negatief.

Bevinding 3: Belgen verschillen onderling sterk wat betreft de mate waarin ze negatieve emoties associëren met het koloniale verleden. Belgen van Afrikaanse origine voelen daarentegen gemiddeld meer woede dan de gemiddelde Belg wanneer hij/zij denkt aan de koloniale wantoestanden in het verleden, alsook meer frustratie en meer walging.

Bevinding 4: 57% is het minstens ‘eerder eens’ met de stelling dat koloniale standbeelden niet thuishoren in ons straatbeeld, maar in het museum. Op dit vlak is er wel een statistisch significant verschil te merken in de gemiddelde score tussen de regio’s: de stelling wordt meer aanvaard in Franstalig België dan in Nederlandstalig België.

Bevinding 5: 37% van de Belgen was het (helemaal) eens met de telling dat de Belgische regering officiële excuses moet aanbieden aan Congo voor het koloniale verleden. Als daar de minder uitgesproken groep ‘eerder eens’ bij wordt genomen, gaat het om 72% van de Belgen.

Bevinding 6: Hoe linkser de partijvoorkeur, hoe meer steun voor ‘positieve’ dekoloniseringsmaatregelen.

Het tweede gedeelte van dit onderzoek brengt in kaart in hoeverre volksvertegenwoordigers in verschillende Belgische parlementen dekoloniseringsmaatregelen steunen. Het koloniale verleden van België – en het thema ‘dekolonisering’ bij uitbreiding – wordt zeer weinig behandeld in Belgische parlementen.

Verleye: "Waar het onderwerp wel werd besproken, is er een opvallende eenduidigheid te constateren in de manier waarop het koloniaal verleden en de huidige relatie met de Belgische ex-kolonies wordt voorgesteld. Wanneer parlementsleden debatteren over deze thema’s gebruiken zij steevast drie retorische strategieën. Het is daarbij opmerkelijk dat deze retoriek gedragen wordt over de verschillende politieke breuklijnen heen: er zijn nauwelijks of geen stemmen op te merken die deze lezing van deze thema’s in twijfel trekken.

Ten eerste wordt de gruwelijke en onrechtmatige aard van het koloniale verleden steevast erkend door de parlementsleden wanneer erover wordt gesproken in de parlementaire setting. Tegelijk wordt de koloniale relatie consequent gehistoriseerd. Dat wil zeggen: deze gebeurtenissen worden afgebeeld als behorend tot het verleden en irrelevant in de huidige institutionele Belgische context.

Ten tweede combineren Belgische parlementsleden een positieve representatie van de Belgische staat met een negatieve representatie van de opvolgerstaten van de voormalige Belgische kolonies, met name de Democratische Republiek Congo (DRC).

Tenslotte wijzen de parlementsleden systematisch op het belang van objectiviteit, sereniteit en wetenschappelijkheid wanneer er over het koloniaal verleden of de huidige relatie met de ex-kolonies wordt gesproken. Er is binnen het parlementair debat geen plaats voor emotie en opinie, waardoor het debat haast stelselmatig een apolitiek karakter krijgt.

Door het systematisch gebruik van bovenstaande retorische strategieën binnen de Belgische parlementen dringt de conclusie zich op dat een politiek debat over dekolonisering consequent uit de weg wordt gegaan.

Concluderend wordt met dit rapport vastgesteld dat binnen de publieke opinie een ‘constraining dissensus’ opgemerkt kan worden: een potentieel aan politisering en verdeeldheid over het onderwerp. In het parlement, daarentegen, kan een ‘permissive consensus’ vastgesteld worden: ongeveer gedeelde erkenning van koloniale wantoestanden zonder gepolitiseerd debat over dekoloniseringsmaatregelen.

Een mogelijke verklaring voor dit verschil is dat de publieke opinie zich niet hoeft bezig te houden met het construeren van compromissen, terwijl parlementsleden in moeilijke thema’s net dit proberen te doen. In een politieke cultuur van compromis, waar België door gekenmerkt wordt, lijkt deze verklaring zonder meer van toepassing. Een andere verklaring is dat partijen geen belang zien in het politiseren van het thema. Kortom, parlementsleden weten dat het koloniaal verleden een gevoelig onderwerp is, maar weten niet hoe dit zich vertaalt in politieke realiteiten.

(bericht en foto : UAntwerpen)